Dit gedicht heb ik geschreven voor een gedichtenwedstrijd met het thema ‘eenzaamheid’

Morgen

Vier muren, het plafond.
Vier muren, het plafond.
Vier muren, het plafond.

Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.
Eén, twee, ze zijn er allemaal nog drie, vier, vijf, zes. 

Nummer één, twee, drie en vier zijn restanten plakband van Zac Efron.
Nummer vijf, recht boven me, daar hing vroeger mijn klamboe en nummer zes, ja wat is nummer 6? Een stuk afgebladderde verf? Mijn handen liggen op mijn buik en ik zucht diep voordat ik mijn lichaam omhoog hijs en ik mijn voeten in mijn sloffen laat glijden. 
Ze moeten het níet voor mij doen.
Ze moeten het zéker niet voor mij doen. 
Ik red me wel, slof naar de keuken voor een kop thee.

Voor het raam, het water.
Voor het raam, het water. 
Voor het raam, het water borrelt. 

De buurman laat zijn hond uit, zoals elke morgen en ik zwaai naar hem van waar ik zit. Het is goed zo. Ik heb niks in huis en ik zie ze wel weer een keer. 

Vier muren, de klok tikt.
Vier muren, de klok tikt. 
Vier muren, de klok tikt. Tik tak tik tak.

De kat komt op mijn schoot zitten als ik me laat zakken op de bank. Ik vraag haar of ze ook wilde wandelen met mij. Ze ging liever alleen op avontuur, vertelde haar knor. 
Ik snap het ook wel. Betty moest naar haar cursus en Lisette werd plots gebeld: of het niet morgen kon, haar vriend had haar nodig. 

De thee is warm, het is koud.
De thee is warm, het is koud.
De thee is warm, het is koud.

Even waren mijn oren gespitst door een geluid dat ik niet kende. Het bleek niets, niets meer dan de wind die een broodzakje mee voer. Het was vooral de Tell Sell-reclame die mijn huis vulde. Ik stond op en slofte naar het balkon. Poes volgde. Ik wilde schreeuwen: ‘Omring me! Bel aan! Toevallig. Kom. Blijf tot de zon de maan, de hanen kraaien en de maan de zon.’  

Maar er kwam geen geluid. Ik kon niet spreken en niet gaan staan. Dus ging ik weer liggen, terug naar binnen naar de plek waar de warmte nog te voelen was. 

Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.
Eén, twee, morgen zullen ze er drie, vier, vijf, zes zijn.