Omdat de oprit vol staat met fietsen, besluit ik die van mij tegen de boom aan de voorkant van de straat te zetten. Ik loop het trappetje naar beneden en zwaai de deur open zoals ik dat het hele jaar had gedaan. Een man, die achteraf hoofd van het bestuur bleek te zijn, spreekt de groep mensen toe. Ik ga zitten aan de lange tafel en probeer zonder kraken mijn natte regenjas van mijn lichaam te scheiden.
Er werden bloemen gewisseld, ingeslikte woorden uitgespuugd en kaartjes met tranen geschreven. Er is ongeloof dat er aan zo’n waardevolle plek een einde moet komen.

Het einde wordt uitgesteld door de dichtstbijzijnde snackbar op te zoeken.
‘Ga jij mee?’
‘Ik ga mee!’
‘Kom jij ook? We willen gaan!’
‘Een laatste keer! Wij gaan nu echt!’
Ongeveer de helft en wat medewerkers lopen in polonaise richting de frituur.
Ik zat erbij zonder warm bakje plastic. Nog druk met het wegslikken van spanning. Wat had ik nou geleerd de afgelopen tijd? Afleiding, dat was het. Mijn honger staking valt niet op, want ik kletste wat en misschien wel veel.

‘Zullen we nog naar het strandje?’ Nu de zon nog scheen leek me dit een goed idee. Ik haalde mijn fiets en L. liep wel even mee.
We waren nog met een stuk of tien. Tien mensen die uit buikte op het strandje. Het voelde onbekend, maar ook verbonden. Tien verschillende wegen die zich hier kruisten en morgen weer hun eigen richting zouden gaan. ‘Goed dat je er bent’ werd er in mijn oor gefluisterd. M. kende mijn pad.

Zonder alcohol zat ik me onverbonden verbonden te voelen. Nog een uur geleden had ik gedacht dat het niet opviel, maar J. had scherpen ogen. ‘Zal ik mee lopen ergens eten halen?’
Ik zeg dat ik dat niet kan, niet op dit moment en stel hem gerust.
‘Ik overleef het wel.’
J. zit in mijn klasje. Of zat, vanaf nu. We raken aan de praat. Over zijn proces en die van mij. Hij voelt zich soms leeg in een volle ruimte. We ontdekken de overeenkomst: het error signaal die onze hersens afgeven zodra er iets nieuws op ons pad komt. We leren er beide tegen in te gaan. Ik weet dat hij goede stappen maakt en dat vind hij ook van mij. Ik wil hem omhelzen, maar blijf ik zitten. Error.

Er worden sigaretten gerookt en wijntjes gedronken. Medewerkers doen mee. Ze zijn immers geen medewerkers meer, nooit meer. We praten over de liefde en V. Vind ik goed pas bij M. V. vindt ook dat ik wél iets moet drinken dus heeft thee meegenomen. 
Na nog vier laatste rondjes fietsen we naar huis. M. Vraagt of hij mee kan fietsen.
‘Nee dat hoeft niet’ Ik besluit eerder af te slaan en mijn route aan te passen zodat ik mijn verhalen kan delen met een vriendin die nog wakker is. Met een luide stem kom ik daar binnen.
‘Sssst’
‘ohja.’
Ze geeft me een boterham en nog voor ik in slaap kan vallen stuurt ze me weg. Slapen mag wel, maar ze weet dat ik dat niet fijn vind. We bellen op de weg naar huis zoals we dat altijd doen. 

In bed lees ik mijn berichtjes. Lieve berichtjes van mensen die mijn kaart hebben gelezen en V. die zich schuldig voelt dat ze er niet helemaal met me mee is gefietst. Ik stel haar gerust, net zoals mijn vader.  
‘Ik ben thuis’
Eerder die avond, toen ik met J. sprak, had hij geconcludeerd: ‘Volgens mij heb jij de juiste mensen om je heen gehad’
Gelukkig heb ik die nog steeds.